‘Daniël in de leeuwenkuil’ – een Girardiaanse lezing

– n.a.v. ‘LEEUWENKUIL’ van Ivo van Strijtem –

Vooraf

Er is geen denker die mij meer heeft beïnvloed dan René Girard (1923 – 2015), van oorsprong een literatuurdocent. De romantische leugen en de romaneske waarheid; God en geweld. Over de oorsprong van mens en cultuur; Wat vanaf het begin der tijden verborgen was…; De zondebok … ik verslond zijn boeken – een paar zelfs in het Frans! Ik maakte er als leraar Nederlands in het laatste jaar middelbaar onderwijs graag gebruik van in mijn besprekingen van films, verhalen en theater en vandaag ook in mijn analyses van gedichten.

In mijn aandachtige lezing van ‘Ode aan Joy’ van Benno Barnard verwijs ik expliciet naar wat Girard mimetische begeerte noemt. Maar ik maak van dat inzicht ook dankbaar gebruik in andere besprekingen, bijvoorbeeld in ‘Ik lig hier zalig’ van Maria Barnas.

In de bespreking van het gedicht ‘Leeuwenkuil‘ toon ik aan hoe Ivo van Strijtem op een bijzonder beeldende manier gebruik maakt van het Bijbelverhaal ‘Daniël in de leeuwenkuil’. Ik refereer daarbij naar een aantal elementen die ik zonder René Girard nooit zou hebben opgemerkt in dat eeuwenoud wonderverhaal. Benieuwd trouwens of het verhaal nog aan bod komt in de godsdienstlessen van het lager en/of middelbaar onderwijs vandaag? [1]

Je kan dit Bijbelverhaal lezen als een staaltje van onverzettelijk geloof in je God [2], maar het is even goed een verhaal over het mislukken van de perfide manoeuvres van een bende jaloerse politici om een geduchte rivaal definitief uit de weg te ruimen. Het falen van wat René Girard het zondebokmechanisme noemt, vergelijken met een wél geslaagde versie ervan, werpt een verhelderend licht op mens en samenleving.

René_Girard
copyright: wikipedia

Daniël 6

1 Darius de Mediër verkreeg het koningschap; hij was toen tweeënzestig jaar.

Daniël in de leeuwenkuil

2 Darius ging ertoe over honderdtwintig satrapen over het gehele koninkrijk aan te stellen.

3 Boven hen stelde hij drie rijksbestuurders aan, van wie Daniël er een was; aan hen moesten de satrapen rekenschap afleggen, opdat de koning geen schade zou lijden.

4 Daniël nu onderscheidde zich van de rijksbestuurders en satrapen door zijn buitengewone begaafdheid. De koning overwoog zelfs hem over het hele koninkrijk aan te stellen.

5 Daarom probeerden de rijksbestuurders en satrapen in Daniëls bewind iets te vinden om hem voor aan te klagen, maar zij konden geen grond voor een aanklacht vinden of hem op een misstap betrappen, want hij was betrouwbaar en hij had nooit zijn plicht verzuimd of een misstap begaan.

6 Toen zeiden die mannen: ‘Met geen mogelijkheid zullen wij deze Daniël kunnen aanklagen, tenzij we iets zoeken dat verband houdt met de wet van zijn God.’

7 Daarop richtten de rijksbestuurders en satrapen zich tot de koning met een dringend verzoek: ‘Koning Darius, leef in eeuwigheid!

8 Alle rijksbestuurders van het koninkrijk, stadhouders en satrapen, raadsheren en gouverneurs, zijn van mening dat er een koninklijk besluit moeten worden uitgevaardigd waarin wordt vastgelegd dat eenieder die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.

9  Welnu, majesteit, vaardig dat verbod uit en stel het op schrift, zodat het niet veranderd kan worden, zoals geen enkele wet van de Meden en de Perzen kan worden herroepen.’

10 Hierop stelde koning Darius het verbod op schrift.

11 Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenvertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was.

12 Maar toen drongen de mannen zijn huis binnen en troffen Daniél aan terwijl hij tot zijn God bad en hem prees.

13 Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit: ‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’ De koning antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden en de Perzen. ze kan niet worden herroepen.’

14 Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed.’

15 De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn macht lag om Daniël te beschermen.

16 Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden; het is een wet van de Meden en de Perzen.’

17 Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’

18 Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou veranderen.

19 Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen.

20 Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil.

21 Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?’

22 En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid!

23 Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’

24 De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd.

25 Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten.

26 Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn!

27 Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want hij is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn heerschappij is zonder einde.

28 Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet wonderen in de hemel en op aarde; hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.’

29 Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.

– Copyright: Nieuwe Bijbelvertaling

Verhaalanalyse

Net zoals in het Bijbelverhaal begin ik bij de heksenjacht die ontketend wordt tegen Daniël – de term heksenjacht is bewust gekozen. Die sterk georkestreerde jacht van velen tegen één bevat in dit verhaal een bijzonder staaltje spitstechnologie in de rechtskunde. Er moeten specialisten aan het werk geweest zijn om deze (draak van een) wet in elkaar te steken die onomkeerbaar zal leiden tot de dood van Daniël. Zijn collega-bestuurders weten immers dat ze hem met de huidige wetgeving nooit op een misstap kunnen betrappen en ze weten ook dat een kleine fout van Daniël met de mantel der liefde zal worden bedekt door de koning.

Het is vanaf het begin van het verhaal zonneklaar dat Daniël – op zijn foute geloof na – totaal onschuldig is. Dat komt omdat wij als lezers (of toehoorders) getuige zijn van het gekonkelfoes van zijn vijanden. Zij kunnen gewoon niet verdragen dat deze man zo perfect is, dat hij zo’n goede regeerder is. Waarom hun haat hen makkelijk moet hebben verenigd, blijkt uit de manier waarop ze Daniël tegenover de koning omschrijven: ‘een Judese banneling’. Hij is niet een van hen, hij is een outsider, een vreemdeling. Zij zijn als machthebbers ongetwijfeld voortdurend in strijd met elkaar om in de gunst te komen van de koning en dus voortdurend jaloers op elkaar, maar ze zijn blijkbaar eensgezind in hun haat tegenover deze vreemde eend in de bijt. Daniël is daarenboven een vrij machteloos slachtoffer omdat hij niet zo makkelijk kan terugslaan want hij behoort tot een minderheid, een onderdrukte groep in het Babylonische rijk.

Om Daniël op die ene, kapitale fout te betrappen en hem door de koning ter dood te laten veroordelen, moeten ze nog een tour de force uithalen. Daniël is geen gelovige die in het openbaar zijn geloof belijdt. En in de gegeven omstandigheden zeker niet. Zijn geloof moet het niet hebben van opzichtig uiterlijk vertoon, voor Daniël is zijn geloof iets dat behoort tot zijn intiemste privé. Om te horen en te zien tot wie hij bidt, moeten zijn belagers dus zijn huis binnendringen. Van een onschuldig slachtoffer gesproken. (Een beetje advocaat zou er vandaag op wijzen dat de bewijzen onrechtmatig zijn verkregen.)

Een ander belangrijk motief in dit verhaal is dat de koning, die weet dat Daniël eigenlijk onschuldig is, niets vermag. Koning Darius is ontstemd, zint op middelen om hem te beschermen. Maar tevergeefs. Hij zit gevangen in het spinnenweb dat hij zelf mee heeft helpen opbouwen. Hem niet veroordelen staat in feite gelijk met het ineenstorten van de machtsbasis waarop zijn koningschap is gebaseerd. Hij moet dus niet enkel vrezen voor zijn positie, maar ook voor zijn leven. De impasse voor Darius is compleet en zeer tegen zijn zin in kan hij niets anders dan samen met zijn bestuurders de deksteen van Daniëls leeuwenkuil officieel verzegelen. Dat doen ze eendrachtig, elk met hun eigen zegelring. Darius kan nadat het vonnis onomkeerbaar is voltrokken de hele nacht niet slapen en is blijkbaar de eerste die de volgende morgen naar de leeuwenkuil trekt.

Even over het soort straf. Het zijn niet zijn belagers zelf of andere mensen die de doodstraf uitvoeren, het zijn dieren. Zo kleeft er geen bloed aan de handen van de moordenaars. Dit lijkt in zekere zin op het stenigen van (bijvoorbeeld) een overspelige vrouw. Allen gooien, maar als de vrouw sterft, is het niet duidelijk wie er ten slotte verantwoordelijk is voor haar dood. Wiens steen trof haar op dodelijke wijze? Het is een straf van allen tegen een. Het is daarom ook dat er in een fusillade bijna altijd sprake is van een vuurpeloton. Vaak is er nog eens een soldaat met een geweer die geladen is met een losse flodder.

Heksenjacht, rituele moord, onschuldig slachtoffer … het zijn elementen die in veel Bijbelverhalen opduiken. Ook het verhaal van Jezus’ kruisiging – bijvoorbeeld in Mattheus, hoofdstuk 26 en 27 – bekijken we vanuit de vervolgers. We zien hoe de hogepriesters eropuit zijn om Jezus op een fout te betrappen en de moeite die hen dat kost. En dan is er de Romeinse prefect Pilatus die zich in bochten wringt om de man in wie hij geen schuld vindt, niet te moeten veroordelen. Pilatus weet dat ze hem hebben uitgeleverd ‘uit afgunst’, hij krijgt bovendien een boodschap van zijn vrouw om deze ‘rechtvaardige’ niet om te brengen. Hij probeert het rumoerige volk daarom op andere gedachten te brengen door ze te laten kiezen tussen Jezus en Barabbas – een echte misdadiger in zijn ogen. Tevergeefs. Ten slotte rest hem enkel nog zijn handen met water te wassen om te tonen dat hij het niet eens is met wat het volk en de hogepriesters van hem eisen. Machteloos levert de Romeinse machthebber daarna Jezus uit aan zijn soldaten die hem aan het kruis moeten nagelen. Bevreesd als hij is dat er een volksopstand zit aan te komen, brengt hij liever een in zijn ogen absoluut onschuldige man om het leven. En dat deden de Romeinen toen op een zo gruwelijke en afschrikwekkende manier als mogelijk – eerst geselen en daarna kruisigen – zodat niemand het in zijn hoofd zou halen het voorbeeld van een ter dood veroordeelde man te volgen.

In de Bijbel gaat het vaak om het ontmaskeren van een heksenjacht. De schuldige in de ogen van de vervolgers blijkt keer op keer een onschuldig slachtoffer, René Girard noemt het het zondebokmechanisme. Maar het duurt tot in het Nieuw Testament vooraleer het onomkeerbaar duidelijk wordt hoe en waarom het er precies zo aan toegaat.

Inderdaad, beide Bijbelverhalen lopen helemaal anders af. Daniël wordt miraculeus (dat is het juiste woord) gered. Darius mag dan wel met vreugde vaststellen dat Daniël leeft, hij keert zich tegen al wie Daniël naar het leven stond en doet dat op een bijzonder brutale wijze – hij werpt niet enkel die belagers in dezelfde leeuwenkuil, maar ook hun (onschuldige) vrouwen en hun (nog onschuldiger) kinderen. In die wraakactie lijkt Daniël geen enkele rol te spelen. Hij komt niet tussen, hij pleit niet voor hun levens of die van hun familie. Het lijkt daardoor dus alsof hij het helemaal eens is.

In dit verhaal leidt het miraculeus ontsnappen aan die heksenjacht zelfs tot geloof. Omdat de leeuwen Daniël niet hebben aangevallen, beveelt Darius iedereen in zijn koninkrijk de God van Daniël te eren. God lijkt zich dus te openbaren via mirakels. Vandaar dat in dat andere Bijbelverhaal de vervolgers Jezus voortdurend uitdagen: “Laat hem nu van dat kruis afkomen, dan zullen wij geloven’, ‘Laten we maar eens kijken of Elia hem komt redden.’ Maar natuurlijk is dit soort geloof net bijgeloof. Jezus is gekomen – zegt hij meermaals zelf – om de waarheid te reveleren.

Jezus ontsnapt niet, hij bekoopt een soortgelijke heksenjacht met de dood. Jezus weet dat er in de werkelijkheid geen ontsnappen mogelijk is. Hij weet dat eenmaal de heksenjacht op gang is gekomen, allen verblind worden. Bij zijn arrestatie wil iemand hem dan wel verdedigen met het zwaard, maar Jezus roept dit nutteloos verzet zelf een halt toe. De overmacht van zijn belagers is immers al te groot en kan zijn arrestatie enkel even uitstellen. Hij voorspelt dat zelfs zijn trouwste apostel hem diezelfde avond nog driemaal zal verloochenen. Hij weet ook dat geen enkel antwoord aan de Romeinse prefect die over zijn veroordeling moet beslissen hem de vrijheid kan schenken: hij zwijgt of herhaalt wat hem wordt voorgezegd. Aan het kruis genageld, vergeeft hij zelfs zijn belagers: ‘Vader, vergeef het hen wat zij weten niet wat ze doen.’ Hij weet dat mensen verblind door haat eensgezind een in hun ogen schuldig maar in werkelijkheid onschuldig slachtoffer zullen opjagen, verbannen of doden in de hoop dat de rust in hun samenleving zal worden hersteld. Op die manier maakte Jezus’ leven en dood bekend wat “sinds het grondvesten van de wereld verborgen was” [3] over hoe mensen met elkaar samenleven.

Joost Dancet

Met dank aan mijn kritische lezers van het eerste uur: Marianne, Koen Vandendriessche Katrien Olivier en Stijn Demaré.

Voetnoten
[1]
Misschien zijn er toch nog her en der jonge mensen die het verhaal kennen vanuit de godsdienstlessen op school:

[2]
Over ‘Daniël in de leeuwenkuil’: https://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/192821-het-verhaal-van-daniel-in-de-leeuwenkuil-en-zijn-betekenis.html. Je leest er bijvoorbeeld dat dit Bijbelverhaal een favoriet was van Mahatma Gandhi en Maarten Luther King.

[3]
Mattheus 13, 35 – dit Bijbelcitaat werd de titel van het eerste boek waarin René Girard het unieke karakter van de Bijbel aantoonde: Des choses cachées depuis la fondation du monde (1978).

 

Over René Girard

Nederlandstalige video’s

  • In een korte, bijzonder heldere uiteenzetting legt professor Guido Vanheeswijck uit hoe de mimetische begeerte en het zondebokmechanisme nauw met elkaar verweven zijn (13 juni 2020).

  • Een zeldzaam in het Nederlands ondertiteld interview met René Girard over mimetische begeerte en het zondebokmechanisme. Dit interview vond plaats kort nadat hij het eredoctoraat had gekregen van de Vrije Universiteit Amsterdam in 1985. Het interview start na een inleiding van 2 minuten (© IKON Televisie – mimeticmargins.com)

Nederlandstalige websites 

> Geïnspireerd door René Girard